23 juli 2021
śrī śrī guru gaurāṅga jayataḥ!
Maandelijkse On-line Uitgave - Jaargang 1 & 14 No. 2
Chant het transcendente woord naar anderen anders raakt Hij verduisterddoor Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura PrabhupādaWe worden alleen in staat gesteld ons duurzame welzijn te
realiseren, indien we onszelf onder de beschermende leiding van
Śrīla Vyāsadeva plaatsen. Let vooral op een vers uit een van
de Upaniṣaden, dat handelt over de visie van de Gouden Meester, “yadā paśyaḥ rukma-varṇaṁ
- de Allerhoogste Persoonlijkheid
Gods, Śrī Kṛṣṇa, verschijnt in een gedaante met
de kleur van gesmolten goud” (Muṇḍaka
Upaniṣad 3.1.3). Ons blijvend welzijn is het gevolg van het leren
zien van die Ongelimiteerde Entiteit door middel van transcendente
dienstverlening, die ons aan Hem verbindt, die onze gedachten op Hem richt en
die tracht kennis over Hem te vergaren in trouwe navolging van de lessen van
Śrī Vyāsa. Bij het luisteren naar lezingen over de Transcendente Entiteit
breidt het vermogen te horen en nieuwe vermogens te krijgen zich uit. Het
transcendente woord, dat door Devarṣi Nārada werd gechant, zocht
zijn weg naar de oorholten van Śrīla Vyāsadeva. Daardoor werd
hij in staat gesteld een visioen te krijgen van de Absolute Persoonlijkheid.
Onder invloed van de overheersende neigingen, die in deze mondaine wereld de
kroon spannen, gaan we enerzijds over op cultussen van heldenverering en
apotheose en anderzijds worden we antropomorfisten en zoömorfisten en
dergelijken.* Door te zijn besmet met deze achtereenvolgende gedachtenvormen
zal God Zich zeker aan ons gaan openbaren op de manier, waarop we Hem wensen
te verheerlijken. ______________ *) Apoteose betekent een sterfelijk mens tot God of halfgod
verklaren. En omgekeerd wijst antropomorfisme in deze context op de neiging
om God aan te zien voor een sterfelijk mens (of dier wat betreft zoömorfisme). Als we het privilege van het menselijk leven misbruiken,
kiezen we ervoor onszelf op gelijke voet met Śrī Kṛṣṇa
te beschouwen, waardoor we in de valstrik van begoocheling vallen en bestemd
zijn voor verderf. De consequentie van het bedriegelijke idee, dat men
meester in zijn eigen recht is, werd door Śrīla Vyāsadeva in de
volgende verzen geanalyseerd, “ye ‘nye
aravindākṣa - degenen die het platform van bevrijding naderen,
beweren op egocentrische wijze te zijn bevrijd, maar ze gaan wederom vallen
door de lotusvoeten van God te veronachtzamen” (Śrīmad-Bhāgavatam 10.2.32); “jñāne prayāsam – men dient de poging op te geven om God
langs empirische weg te kennen” (Śrīmad-Bhāgavatam
10.14.3) en “śreyaḥ-sṛtiṁ
bhaktim – de poging om kennis te ontwikkelen, waaraan bhakti ontbreekt, is even zinloos als
het dorsen van lege graanhulsen” (Śrīmad-Bhāgavatam
10.14.4). We zijn werkelijk begunstigd door met aandacht naar deze besprekingen
van hem te luisteren. “Zonder enig uitstel gaat God het hart binnen van iemand,
die onafgebroken en vol vertrouwen de vertellingen van Zijn bovenzinnelijke
activiteiten hoort en bezingt.” Ons ware welzijn is verzekerd, als we het
grote geluk hebben het woord van God te horen aan de lotusvoeten van śrī guru. De goddelijke
meester chant het woord van God onafgebroken. Hij heeft geen andere functie. Het is van het grootste belang, dat we luisteren naar het
woord, dat wordt gechant door śrī
guru en het aanvaarden. En toch, zelfs nadat we in staat zijn gesteld om
het woord van de lotuslippen van śrī
guru te horen, kunnen we Hem niet vasthouden, want Hij dreigt te worden
verduisterd, als Hij niet wordt rondgezongen naar anderen. Als we ons
bezighouden met het nastreven van onnodige doelstellingen door af te zien van
het chanten van het woord, dat we van śrī
gurudeva hadden ontvangen, verliezen we onze verbinding met de Eeuwige Entiteit
en beschikken onszelf voor het ondergaan van verdriet, tat te ‘nukampāṁ
su-samīkṣamāṇo Śrīmad-Bhāgavatam (10.14.8) Men heeft recht op de rijkdom van de dienstverlening aan
de lotusvoeten van God, die ons bevrijdt van wereldse gebondenheid, indien
men hart, spraak en lichaam aan Hem overgeeft en indien men via scherpe
visie de genade van God werkelijk ziet in het lijden, dat men door zijn eigen
daden teweeg heeft gebracht. Er bestaat geen andere manier om van deze wereld
te worden bevrijd. Alles dat God doet is voor ons welzijn. We kunnen worden
bevrijd, als we Zijn genade in iedere gebeurtenis en in iedere activiteit waarnemen.
Maar als we in Zijn werk een defect opmerken, of we realiseren wreedheid in
Zijn acties, gaat dat zeker leiden tot kwaadaardigheid en moeilijkheden. Al mijn problemen zijn te wijten aan het feit, dat ik ben
verzonken in allerlei bezigheden, behalve het dienen van Śrī Kṛṣṇa.
Als mijn smaak voor het dienen van Śrī Kṛṣṇa werkelijk
van dag tot dag toeneemt, ben ik zowaar gezegend. Hij, die ons aanzet tot
activiteiten van deze aard, is voorzeker śrī
gurudeva. De opvolging van authentieke gurus bestaat uitsluitend uit personen, die Śrī
Vyāsadeva trouw volgen. Door louter te zijn aangeraakt door de lotusvoeten van
mijn śrīla gurudeva heb
ik alle gevoel voor deze externe wereld verloren. Ik vraag me af, of in deze
wereld een transcendente bemiddelaar van hetzelfde kaliber ooit is
verschenen. Hoe kunnen degenen, die druk zijn met hun lusten en woede in deze
wereld, hem ooit leren kennen? In het Engels aangepast uit The
Gauḍīya, Jaargang 24, No. 5 |
