23 juli 2021
śrī śrī guru gaurāṅga jayataḥ!
Maandelijkse On-line Uitgave - Jaargang 13 No. 13
De noodzaak van onvervalste nederigheiddoor Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura PrabhupādaMijn vrienden, die
een groter talent hebben voor de liefde van de Al-liefde, Kṛṣṇa,
verachten me niet, maar beschouwen me als hun nederige vriend door me op
gratieuze wijze toe te staan gezegend te zijn met een onvermengde toewijding
aan en liefde voor mijn eigen guru,
die identiek is aan het overheerste Contra-Geheel van het overheersende
aspect van de Al-liefde. Ik zal daarom nooit vijandig en ongevoelig zijn
tegen degenen met een neiging om aan de Al-liefde te zijn toegewijd. Maar als
ik eveneens een nederige positie heb, beschouw ik hen als vertrouwelijke leden,
die ik met alle intimiteit en liefde moet dienen vanwege hun vertrouwelijke
dienstverlening aan Hem. Hier zijn de
woorden gesproken door Śrī Caitanya Mahāprabhu Zelf, “Het is
noodzakelijk om nederiger te zijn dan een grasspriet, als men werkelijk de
naam van God wil opnemen.” Men verzoekt een ander nooit ergens om, tenzij men
zijn eigen nietigheid realiseert. We bidden om hulp van anderen, wanneer we
onszelf hulpeloos achten. Śrī
Gaurasundara heeft ons gezegd om de naam van God te aan te roepen, hetgeen
betekent, dat hij ons heeft verteld de hulp van God te aanvaarden. Hij heeft
ons ook gezegd nederiger te zijn dan een blad gras, wanneer we die naam aanroepen.
Als we God aanroepen om Hem onze dienaar te maken of als we Zijn hulp vragen
voor een of ander werk, dat we uitvoeren in ons eigenbelang, kunnen we de
kwaliteit van nederigheid niet bewaren, die groter is dan die van een blad
gras. Het uiterlijk
vertoon van nederigheid is geen eigenschap van laagheid, waarvan men
nederiger wordt dan een blad gras. Een vertoon van nederigheid is niets
anders dan onoprechtheid of schijnheiligheid. Aanroepen op een manier, waaraan
onze ondergeschikte zal beantwoorden, kan God niet bereiken. Omdat Hij de
Allerhoogste Onafhankelijke is, de Volmaakte, Zelfbewuste Entiteit, is Hij
aan niemand ondergeschikt. Het is noodzakelijk om de eigen individualiteit geheel
te vestigen in een staat van onverdorven nederigheid. Zonder het op deze wijze
te doen bereikt het gebed niet de volmaakte Autocraat. In het Engels aangepast uit The Gauḍīya,
Jaargang 36, No. 4 |
